Een gewone werkdag in september

27 september 2018 13:07 Blog rouw gewone dag september

Gehaast.
Zoonlief treuzelde weer eens met zijn ontbijt. ‘Die verdomde printer ook, net nu je dat document zo meteen nodig hebt.’ Snelle check. ‘Gelukkig, zijn rugzak is in gepakt. Met lunchtrommel erin. Voor je het weet ben je die ontaarde vader die zijn kinderen geen eten meegeeft.’ Op weg. Snelle blik op het horloge geeft aan dat we het net op tijd gaan halen. Shit! In de file voor de kiss & ride zone bij school. De zoemer klinkt al. Gelukkig net op tijd. ‘Dag pap, tot straks!’ Snelle kus en hij rent naar de deur op het schoolplein. Vergeet in de haast zijn rugzak. Je roept hem terug. De juf lacht en zwaait ter geruststelling en trekt nadat zoonlief naar binnen is gerend de deur dicht. ‘Oef.’ Opgelucht, radio aan. Luisteren naar de fileberichten. ‘Ik kan nu niet te laat komen’, offertebespreking. Je hoort terwijl je voorsorteert voor de afslag naar de snelweg dat er een ernstig ongeluk is gebeurd bij een spoorwegovergang in Oss. Het dringt niet echt tot je door. Het is zo’n afstandelijk bericht dat van tijd tot tijd langs komt.

Gelukkig geen file. Je ontspant wat en luistert naar de actualiteiten. En dan ineens komen er details uit wat er in Oss is gebeurd binnen. Vier kinderen in een kinderbakfiets dood op een spoorwegovergang. Een ijzige rilling trekt langs je ruggengraat door je hele lijf. Ineens schiet je vol…

Het bespreken wil die morgen niet echt lukken. De opdrachtgever vraagt of er iets is, omdat je zo afstandelijk lijkt. Bijna opgelucht vertel je wat je vanmorgen gehoord hebt. De opdrachtgever heeft ook jonge kinderen. Het gaat niet meer over de offerte en een nieuwe afspraak wordt gemaakt. Stom eigenlijk dat je er niet meteen zelf over begon.

Het bericht walst de samenleving binnen. Bij de vader die zich ineens schuldig voelt over zijn immer durende haast. Bij een grootmoeder die haar dochter belt: ‘Heb je het gehoord? Bij jullie kinderdagverblijf gebruiken ze toch geen bakfietsen?’ Bij het brandweercorps honderd kilometer verderop, dat altijd stand-by staat voor dit soort situaties, wordt vooral gezwegen. Zij kunnen zich uit eigen ervaring inleven in het drama. Ouders op het schoolplein wachtend voor de pauze, die gedempt met elkaar praten in plaats van te turen op hun mobieltje.

Nederland rouwt. Jong, kwetsbaar en onbevangen leven is abrupt gestorven in de knop. We worden met onze grootste angst geconfronteerd; het verliezen van een kind.

Een moeder, ergens in Nederland, die zelf een kind verloren heeft door een noodlottig ongeval, trekt de gordijnen dicht. Het verlies is nooit weg, maar komt nu weer even in alle hevigheid langs. Twee buren verderop in de straat praten over de gebeurtenissen in Oss en denken onmiddellijk weer aan het kind verderop in de straat dat onder een auto kwam. Van een afstand leven ze mee met de vrouw die de gordijnen heeft dichtgetrokken. ‘Zij zal het nu ook wel moeilijk hebben. Laten we haar maar met rust laten.’

Bij de moeder gaat de telefoon. Ze aarzelt om hem op te nemen. Het is de uitvaartbegeleidster aan wie zij en haar man zoveel steun hebben ondervonden. ‘Hoe gaat het met je? Dit bericht zet vast alles weer op zijn kop voor jou’. Het gesprek duurt drie kwartier.

Rouw, collectieve rouw; het gesprek van de dag. Het schuurt langs ieders ziel. Het gevoel van machteloosheid als je denkt aan die kinderen, aan die ouders, aan die leidster. Je ziet in de berichtgeving een interview met de directeur van de school, die vertelt hoe ze de klassen is rondgegaan om te vertellen dat er schoolbankjes leeg zullen blijven. Ze heeft er niet omheen gedraaid, maar het onomkeerbare gedeeld zoals het was met haar leerlingen. Het is stil in iedere klas. De onbevangenheid die we aan kinderen toedichten is voor even weg.

Het draaiboek van slachtofferhulp is in werking getreden. Sporen worden veiliggesteld voor onderzoek. De spoorwegovergang in Oss wordt in de loop van de dag een spontane gedenkplek: voor een moment van medeleven en introspectie op de kwetsbaarheid van het bestaan. Ouders omhelzen hun kinderen.

De kinderbakfietsfabrikant – zo vers na het ongeluk heet het nog een kinderbakfiets en geen ‘Stint’ – moet aan de pers uitleggen dat het een veilig vervoermiddel is. De enthousiaste vrolijkheid in het straatbeeld, die gekoppeld is aan dit kleurrijke vervoermiddel, met van het leven genietende kinderen, is voor even helemaal weg.

Als papa thuiskomt belt hij mama. Zoonlief is overmorgen weer een week onder haar hoede. ‘Heb je het gehoord?’ zegt hij. ‘Ja, vreselijk’. Die middag staan ze samen langs de lijn als zoonlief moet trainen. Hij geniet ervan. Dat was lang geleden papa en mama samen waren. Na afloop gaan ze naar McDonalds.

De vrouw die haar kind is verloren gaat aan het eind van de middag boodschappen doen. Vanachter ramen wordt in stilte ook met haar mee geleefd.

Een jongetje van elf stapt zonder aarzeling op haar af. ‘Dag mevrouw, u zult het nu best wel moeilijk hebben. Mag ik u sterkte wensen?’

Ze breekt.

De moeder van de jongen snelt geschrokken naar buiten om haar zoon binnen te roepen.

‘De huilende vrouw zegt ‘nee, nee, laat hem, het is goed. Wat lief van je, dankjewel.’ Ze aait hem over zijn bol.

Mama is na McDonalds weer naar huis gegaan. Papa vertelt vanavond een extra lang verhaaltje voor het slapen gaan en omhelst zoonlief die de deken over zich heen trekt. Papa duikt achter de computer en bevestigt de nieuwe afspraak voor het offertegesprek. ‘Gelukkig, een half uur later dan vandaag.’

De zaterdag na het ongeluk is het weer nationale Burendag waarin we de leefbaarheid vieren. In de straat van de moeder die haar kind is verloren is, bespreken ze of het springkussen voor deze keer maar af zullen bestellen. Niemand heeft de moed om er met haar over in gesprek te gaan.

 

 

Terug naar overzicht